Voorpagina     Nieuws     Snelheidsmeter     Enquête     Schrijf ons     Word lid  

  Voorpagina
   Nieuws archief
   Kabel providers
   Nuttige links
   Woordenlijst
   FORUM: chelloo.com
   FORUM: gebruikers.eu
  Column
  Voor de pers
  Schrijf ons
  Voor onze leden
  Vereniging
  Lid worden van COAX
  Online Chatten
  Enquête
  Redactie




COAX Nederland
Postbus 5140
5800 GC Venray


 
  Verklarende woordenlijst

10Base-2 - Ethernet met 10 MB/s op een dunne coaxkabel (RG-58), ook Cheapernet genoemd. De maximale lengte van een 10Base-2-segment mag 185 meter zijn, maximaal zijn er vier repeaters, dus vijf segmenten mogelijk. De maximale totale lengte van een 10Base-2-netwerk bedraagt daarmee 925 meter. Op een segment kunnen tot 30 stations worden aangesloten. Normaal gesproken zitten bij 10Base-2 de MAU’s op de netwerkkaarten, deze worden dan via een T-stuk op de kabel aangesloten. Beide uiteinden van de kabel (die een bus vormen) moeten met een afsluitweerstand van 50 ohm getermineerd zijn.

10Base-5 - Ethernet met 10 megabit/s op een dikke coaxkabel. Een segment mag maximaal 500 meter lang zijn. Per segment kunnen 100 stations via MAU’s worden aangesloten, waarbij de minimale afstand op de kabel 2,5 meter moet bedragen. Net als bij 10Base-2 zijn er maximaal vier repeaters mogelijk, de totale lengte van een 10Base-5-netwerk bedraagt hierdoor hooguit 2500 meter.

10Base-T - Ethernet met 10 megabit/s via een stervormige UTP- of STP-bekabeling. De bus, die bij coax-varianten door de kabel zelf wordt gevormd, is hier in de hub geconcentreerd. De stations worden ieder met behulp van een eigen kabel van maximaal 100 meter lengte op de hub aangesloten.

100Base-Fx - Ethernet met 100 megabit/s via een stervormige glasvezelbekabeling. Voor de kabel kan zogenaamde multimode of monomode glasvezel gebruikt worden. De maximale kabellengte tussen hub en werkstation bedraagt 400 meter.

100Base-T4 - Ethernet met 100 megabit/s via een stervormige UTP-bekabeling met acht aders (vier leidingsparen, UTP categorie 3). De maximale kabellengte tussen hub en werkstation bedraagt 100 meter. De kabel is aanzienlijk goedkoper dan de kabel die nodig is voor 100Base-Tx. Adapters en hubs zijn voor dit type echter moeilijk verkrijgbaar.

100Base-Tx - Ethernet met 100 MB/s via een stervormige UTP- of STP-bekabeling met vier aders (twee leidingsparen UTP categorie 5, STP type 1 of S/STP categorie 5). De maximale kabellengte tussen hub en station bedraagt 100 meter. 100Base-Tx is het meest gebruikte Fast-Ethernet-type.

Afsluitweerstand - Ook wel terminator genoemd. Een ethernet via coaxkabel vormt een zogenaamde bus. Deze moet met afsluitweerstanden aan beide uiteinden worden getermineerd. Bij 10Base-2 heb je hiervoor weerstanden van 50 ohm nodig, om signaalreflecties aan de luiteinden te voorkomen.

AUI - Access Unit Interface, interface aan de kant van de computer voor de verbinding met de MAU op de netwerkkabel. De stekker die gebruikt wordt is een 15-polige sub-D-stekker met schuifvergrendeling. Bij 10Base-2 zijn AUI en MAU normaal gesproken op de netwerkkaart geïntegreerd. Dit type wordt tegenwoordig bijna niet meer gebruikt, maar vindt men nog wel eens terug om combi netwerkkaarten.

Coaxkabel - Coaxiaalkabel, vaak ook BNC-kabel (Bayonet Navy Connector) genoemd, is een ronde kabel die is samengesteld uit een binnenste geleider, een metalen afscherming en een kunststof omhulsel. Voor Ethernet wordt tegenwoordig normaal gesproken een dunne coaxkabel met een weerstand van 50 ohm gebruikt. Andere typen zijn er bijvoorbeeld voor de kabeltelevisie, dit is echter voor Ethernet niet geschikt, omdat dit met een impedantie van 75 ohm werkt.

Ethernet - netwerksysteem op een <i>shared<i> medium, dat wil zeggen, alle aangesloten computers werken op dezelfde kabel en delen dan ook de maximaal mogelijke bandbreedte van 10 megabit/s met elkaar. Om er voor te zorgen dat niet alle computers tegelijkertijd proberen gegevens te versturen, wordt als toegangsmethode CSMA/CD (Carrier Sense Multiple Access/Collision Detection) ingezet. Iedere computer controleert hierbij of gegevens op het netwerk worden overgedragen. Als dat niet het geval is, begint hij zelf met versturen (CSMA). Als een tweede computer tegelijkertijd probeert gegevens te versturen, dan leidt dit tot botsingen, die alle aangesloten stations herkennen (CD). Computers die gegevens aan het versturen zijn stoppen vervolgens onmiddellijk en beginnen na een bepaalde, individueel verschillende tijd opnieuw met het CSMA-proces.

Fast Ethernet - Ethernet op 100 megabit/s.

Halfduplex - Communicatiemethode, waarbij twee partners telkens alleen afwisselend gegevens kunnen versturen. Normaal werkt ethernet op halfduplex. Moderne hubs, switches en netwerkkaarten ondersteunen ook full duplex. Je moet er echter wel op letten dat de netwerkkaart en de port op de hub of de switch, waarop deze is aangesloten, identiek geconfigureerd zijn. Anders komt er geen verbinding tot stand.

Hub - Netwerkapparaat, dat de centrale van een stervormig bekabeld netwerk (bij 10Base-T en 100Base-T) is. Hubs zijn eveneens repeaters. Er zijn twee verschillende typen hubs beschikbaar. Class I hubs kunnen verschillende media (bijvoorbeeld 100Base-Tx en 100Base-Fx) verbinden. Hubs van Class II kunnen slechts een type medium (bijvoorbeeld 100BaseTx) aan. Omdat repeaters van de Class I langzamer zijn dan die van de Class II, mag er binnen een afgesloten netwerk segment maximaal één apparaat van Class I geïnstalleerd zijn.



 

LAN - Local Area Network, lokaal netwerk. Een netwerk, dat normaal gesproken niet voor iedereen toegankelijk is en dat zich maximaal tot tien kilometer uitstrekt. Alle netwerken die in bedrijven of privé-huishoudens worden ingezet worden normaal gesproken als LAN’s aangeduid. De verbinding van meerdere LAN’s via openbare lijnen wordt daarentegen WAN (Wide Area Network) genoemd.

MAC - Media Access Control, de toegangsmethode tot het eigenlijke medium (kabel) van een netwerk. Het is in de netwerkcontroller geïmplementeerd, dus bijvoorbeeld in de netwerkkaart van een computer. Deze kaart heeft dan een zogenaamd MAC-adres nodig, aan de hand waarvan een aangesloten station in het netwerk geïdentificeerd kan worden. Dit is voor iedere netwerkkkaart wereldwijd uniek. Netwerkadressen (bijvoorbeeld IP-adressen bij TCP/IP) worden door bepaalde mechanismes altijd naar dit MAC-adres vertaald.

MAU - Medium Access Unit, ook transceiver genoemd. Deze vormt de interface aan de kant van het netwerkmedium (kabel) voor de aansluiting van stations en is daarmee de tegenhanger van AUI. MAU en AUI zijn tegenwoordig meestal op de netwerkkaarten geïntegreerd.

Repeater - Netwerkapparaat voor de fysieke verbinding van twee Ethernet-segmenten, om de maximaal mogelijke lengte van het netwerk te vergroten. De verbinding tussen twee repeaters mag niet langer dan 100 meter zijn. Als dit niet voldoende is, moeten zogenaamde remote repeaters worden ingezet, die tot één kilometer kunnen overbruggen. In een Ethernet-LAN zijn maximaal vier repeaters toegestaan.

RJ-5 - Miniatuur-stekker (ook Western-stekker genoemd) met acht polen, die vooral voor UTP-kabels voor 10Base-T en 100Base-T wordt ingezet. Vandaag de dag maken ook STP- respectievelijk S/STP-kabels meestal van deze stekker gebruik.

Router - Netwerkapparaat voor de logische verbinding van twee netwerksegmenten. Een router moet gegevens, die niet voor het eigen segment zijn bedoeld, ofwel naar een ander segment of naar een andere router doorsturen. Omdat alleen de hardware (MAC) adressen van het eigen segment bekend zijn, kan een computer gegevens niet direct uitleveren aan machines in andere segmenten. Alle gegevens met een doel-netwerkadres (bijvoorbeeld een IP-adres), die niet in het eigen netwerk liggen, worden daarom via de router verstuurd.

Segment - Deel van een netwerk, waarin stations direct met elkaar kunnen communiceren. Een segment wordt bij Ethernet door de maximale lengte van de kabel bepaald. Alleen binnen dit segment kunnen computers direct via de hardware-adressen worden aangesproken. Deze adressen zijn bij computers in andere segmenten onbekend; om met hun te kunnen communiceren, zijn apparaten zoals routers noodzakelijk.

STP - Shielded Twisted Pair, vier- of achtaderige kabel, waarbij telkens twee aders met elkaar getwist zijn en ieder aderpaar een aparte afscherming heeft. Bovendien is S/STP-kabel (Screened / Shielded Twisted Pair) beschikbaar, die ook nog een afscherming voor het geheel heeft.

Topologie - De structuur van een netwerk. Gebruikelijk zijn tegenwoordig vooral de bus (Ethernet), de ster (Ethernet en Token Ring) en de ring (Token Ring). De logische structuur hoeft hierbij niet overeen te stemmen met de fysieke. Zo is de fysieke bekabeling bij 100Base-T weliswaar een ster, maar het net vormt logisch desondanks een bus, die in de hub geconcentreerd is.

T-stuk - Verbinding bij coaxkabels, die de aansluiting van een computer mogelijk maakt. De netwerkkabel is op twee einden van het T-stuk aangesloten, het derde einde wordt op de netwerkkaart gezet. Omdat het stekkertype BNC wordt genoemd, spreekt men ook wel over BNC-T-stukken.

UTP - Unshielded Twisted Pair, vier- of achtaderige kabel, waarbij telkens twee aders met elkaar getwist zijn. Een afscherming van de afzonderlijke kabelparen is er niet. Er bestaat ook S/UTP-kabel, waarbij minstens een afscherming van de gehele kabel wordt ingezet. Deze is ingedeeld in vijf categorieČn, die rekening houden met verschillende toepassingen en transferrates. Van belang voor netwerken zijn alleen nog de categorieČn 3 en 5, waarbij intussen alle normeringen (UL, EIA/TIA en DIS 11801 respectievelijk EN 50173) in deze beide categorieČn identiek zijn.

Full duplex - Communicatiemethode, waarbij twee partners tegelijkertijd gegevens kunnen versturen en ontvangen. Moderne netwerkapparaten ondersteunen deze techniek ook bij ethernet, echter alleen, als er met hubs of switches en dus met een stervormige UTP/STP-bekabeling wordt gewerkt. Normaal ethernet ondersteunt alleen halfduplex.



  Voorpagina     Nieuws     Snelheidsmeter     Enquête     Schrijf ons     Word lid